18de en 19de eeuw

Als gevolg van de voortdurende overbegrazing en roofbouw op het bos was de oppervlakte aan heidevelden in de 18de en 19de eeuw sterk toegenomen. Bijna alle droge zandgronden, die als gemeenschappelijke weide in gebruik waren, bestonden uit boomloze heide en schrale graslanden. Deze leverden amper genoeg voedsel voor de veestapel van de groeiende bevolking. Door de komst van kunstmest hadden de boeren geen heideplaggen meer nodig voor bemesting van hun akkers. Ook ontstond er een toenemende vraag naar hout, o.a. voor de mijnbouw. Het gevolg hiervan was dat de gemeenschappelijke weidegronden werden opgesplitst en in delen verkocht aan gemeenten en particulieren die ze in cultuur brachten. Daarmee kwam een einde aan de uitgestrekte velden en ontstond een kleinschalig landschap waarin iedereen op zijn perceel een zo hoog mogelijk opbrengst probeerde te halen.
 

Voormalig landgoed 'de Wolfsberg' bij Groesbeek

 

In de 18de en 19de eeuw werden talrijke particuliere landgoederen gesticht. Hun eigenaren, en ook adellijke grootgrondbezitters zoals Johan Maurits van Nassau in Kleve, richtten de omringende bossen naar de smaak van die tijd in met sterrenbos, beukenlanen en andere elementen.
 

Meestal bestond het gewone bos uit hakhoutcultuur: van de telkens weer uitlopende eikenstobben werden de jonge stammetjes geoogst voor de winning van looizuurrijke bast of voor brandhout. Soms liet men een deel van de stammen langer staan om ze als bouwmateriaal te kunnen benutten (middenbos).

 

Herikhuizerveld in het Nationaal Park Veluwezoom

 

Click a feature on the map to see the details